Wie is die Taalprof?

  • Kijk snel hier.

    De Taalprof ontmaskerd?

    Lees hier de waarheid!

    De Taalprof op reis

    Waar was de Taalprof in augustus 2006?

    Sensationele Onthullingen!

    De bladen worden wakker!

Laatste reacties

« Wie is er bang voor de bepaling van gesteldheid? (1) | Hoofdmenu | geselecteerd als gefixeerd bericht »

13 november 2006

Wie is er bang voor de bepaling van gesteldheid? (2)

De geheime kring van grammatici die precies weten hoe het zit met de bepaling van gesteldheid is angstaanjagend klein geworden. Daarom is de taalprof een charmeoffensief begonnen ten behoeve van de bepaling van gesteldheid. Het eerste deel daarvan verscheen al eerder, maar de koek is nog niet op.

Wat is bijvoorbeeld een predicatieve toevoeging? Of een resultatieve werkwoordbepaling? Heb je dat altijd al willen weten? Denk je dat je die zelf nooit van zijn leven zult gebruiken? Lees dan snel verder!

Lees meer/ minder

Reacties

Een vraag over de bepaling van gesteldheid.

Je zegt: 'de meest vrije vorm is de predicatieve toevoeging. Dan heb je een bestaande zin, en daar frommel je een los extra predicaat tussen'. Bedoel je met jouw omschrijving dat in 'de politicus stond op zijn zeepkist TE SCHREEUWEN' het gedeelte '(te) schreeuwen' een bepaling van gesteldheid is? En heb je dan ook zo'n bepaling in 'de politicus is in de Kamer AAN HET ZWAMMEN' (want: 'de politicus is in de Kamer' --> 'de politicus is in de Kamer aan het zwammen' (toevoeging van predicaat). En heb je in ACI-constructies ook een bepaling van gesteldheid? ('Ik hoorde hem' --> 'ik hoorde hem ZINGEN').

@Arie Molendijk: Neeneenee, in 'de politicus stond op zijn zeepkist te schreeuwen' is 'stond' een hulpwerkwoord van aspect. Aan de zin 'de politicus schreeuwde op zijn zeepkist' wordt een duratief aspect toegevoegd, én een lichaamshouding. 'Schreeuwen' is daar het primaire predicaat van de zin.

Jouw analyse van 'de politicus is in de kamer aan het zwammen', namelijk dat 'aan het zwammen' een soort secundair predicaat is bij 'de politicus is in de kamer' deel ik niet. Bedenk dat je in die laatste zin 'is' kunt vervangen door 'bevindt zich', maar in die eerste niet. Dat duidt erop dat in die eerste zin sprake is van een koppelwerkwoord, met naamwoordelijk deel 'aan het zwammen' (dat jij trouwens ook gedwongen bent in je parafrase weer toe te voegen: daar staat óók weer 'is'!), en dat 'in de Kamer' daar een bijwoordelijke bepaling bij is.

ACI-constructies vormen wel een probleem in de traditionele zinsontleding. De gangbare opvatting is dat hier sprake is van een dubbel lijdend voorwerp. Als je iemand hoort zingen, dan hoor je twee dingen: je hoort iemand, en je hoort zingen. Zie ook dit stukje: http://taalprof.web-log.nl/taalprof/2006/06/exotische_india.html

Ok, natuurlijk ben ik het eens met jouw opmerkingen over het zeepkist-voorbeeld. Het ging me meer om de omschrijving van het 1e type bep. van gesteldheid. Kennelijk moeten we zeggen: 'we frommelen er een extra predicaat tussen en als dan de categorie van het oorspronkelijke predicaat niet verandert fungeert het extra predicaat als bep. van gesteldheid. Dan zouden we ook verantwoorden dat 'zwammen' in het zwamvoorbeeld geen bep. van gesteldheid is.

Jan is thuis.
Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een onderwerp, koppelwerkwoord en een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord.Zo heb ik het ooit geleerd!
"thuis" is geen van beide.
Ook: het naamwoordelijk deel hoort bij het koppelwerkwoord, dat kun je niet weglaten. "Jan is." ???
Tegenstrijdig dus.
Is dit nu een werkwoordelijk gezegde "Jan bevindt zich." ???
of een naamwoordelijk gezegde.
Heel graag uw reactie, professor. Vast bedankt.

@???: je hebt het vroeger niet helemaal goed geleerd, want het naamwoordelijk deel kan van alles zijn, van hele woordgroep ('in de war') tot bijwoord ('de kachel is uit', 'het werk is af').

In jouw voorbeeld is echter inderdaad sprake van 'zijn' in de betekenis "zich bevinden". 'Thuis, DAAR ben je', en niet 'Thuis, DAT ben je'. Dit is dus een zin met een werkwoordelijk gezegde. En 'thuis' is een bijwoord(elijke) bepaling.

"Thuis" in de zin "Ik ben thuis" is een bijwoordelijke bepaling van plaats. Logisch, want "zijn" betekent hier "zich bevinden" en de plaats in kwestie is "thuis". Volgens mij verandert de betekenis van "thuis" echter in de zin "Ik ben er thuis" (Ik ben er bekend/op mijn gemak). Dan is "thuis" de toestand van het onderwerp (dus naamwoordelijk deel van het gezegde) en "zijn" het koppelwerkwoord.
In de zin "Ik voel me er thuis" lijkt me "thuis" wederom de toestand van het onderwerp aan te duiden, maar nu in een zin met een werkwoordelijk gezegde ("voel me")dus nu zou het een bepaling van gesteldheid (resultatieve werkwoordsbepaling - "volgens" de actie "zich voelen") moeten zijn. Akkoord?
groet,
Rob Barnhoorn

@Rob Barnhoorn: ja dat klopt! Dat is een terechte opmerking. Maar volgens mij moet er dan wel altijd iets bij. Dus 'ik ben thuis' is altijd werkwoordelijk, en 'ik ben er thuis' kan ook naamwoordelijk begrepen worden. En 'ik ben ergens (goed) in thuis' is zeker naamwoordelijk, met voorzetselvoorwerp 'ergens in'.

De voorbeeldzin 'Jan is thuis' kan dus naar mijn mening nooit naamwoordelijk begrepen worden.

Die "toestand van het onderwerp" probeerde ik te verwoorden in het woordje DAT in plaats van DAAR. Want 'thuis, DAAR ben je' en 'ergens thuis in, DAT ben je'.

Er zijn overigens veel plaatsbepalingen die ook, zoals dat heet, "predicatief" begrepen kunnen worden. Vaak worden hier de voorbeelden 'in de wolken' en het wat ouderwetse 'in zijn knollentuin' genoemd, maar er zijn er veel meer: 'op de hoogte', 'op de vlakte', 'in de bonen', 'over de streep', 'in de put', maar ook 'erbij' en 'binnen' zijn mooie voorbeelden.

Ik heb een vraag over in uw stukje staande zin "Ik vind jou leuk.". Is leuk hier een naamwoordelijk deel en een bepaling van gesteldheid? Volgens mij moet het de één zijn of de ander en omdat de zin een toestand aangeeft is het een naamwoordelijk gezegde met leuk als naamwoordelijk deel?

Wat doe ik verkeerd?

@Alfredo: ik snap wat je bedoelt, maar het ligt een beetje ingewikkelder dan je denkt. In de zin 'ik vind jou leuk' geeft 'leuk' inderdaad een toestand aan die van toepassing is op 'jou' ('jij bent leuk'). Maar: de uitspraak dat jij leuk bent is hier eigenlijk geen aparte zin, maar ondergeschikt aan 'ik vind'.

In moderne grammatica's wordt dit zo geanalyseerd dat 'jou leuk' een soort afkorting van een zin is waarin 'leuk' inderdaad naamwoordelijk deel is (en 'jou' het onderwerp). Deze "afgekorte zin" is dan het lijdend voorwerp van 'vinden'.

In de traditionele zinsontleding is het eenvoudiger: 'jou' is dan lijdend voorwerp van 'vinden', en 'leuk' is een van de drie soorten bepaling van gesteldheid, namelijk het werkwoordcomplement.

Bepalingen van gesteldheid geven altijd een toestand aan, maar ze zijn altijd ondergeschikt aan de rest van de zin. In 'hij kwam zingend binnen' is zijn zingende toestand ondergeschikt aan het binnenkomen, en in 'hij schuurde de plank glad' is het glad zijn (of het glad worden) van de plank een gevolg van het schuren.

Bedankt voor u snelle reactie Taalprof. Ik had nog enige aanvullende vragen.

Als ik het goed begrepen heb ga je bij de moderne grammatica uit van de zin 'Ik vind dat jij leuk bent.', waarbij het zinsdeel 'dat jij leuk bent' de afgekorte zin 'jou leuk' is. Als je het zinsdeel ontleedt is 'jou' onderwerp en 'leuk' het naamwoordelijk deel. Het zinsdeel is lijdend voorwerp dus ook 'jou leuk'. Nu de vraag, maar betekend dat de zin 'Ik vind..' een werkwoordelijk is ofwel doende is?

Een tweede vraag is naar aanleiding van het begrip complement. Complement komt ook voor als verplichte constituent: 'Dat boek is zwaar' waarbij 'zwaar' iets zegt over het onderwerp 'Dat boek' Is 'zwaar' een bijvoeglijk constituent of een een bepaling van gesteldheid? Ik denk bijvoeglijk constituent omdat het een naamwoordelijk deel is?

Met vriendelijke groet, Alfredo.

@Alfredo: voor de goede orde: de "moderne grammatica" is een ander type grammatica die niet zozeer gericht is op de ontleding van de zin, maar op de beschrijving van de structuur van de taal (of zelfs het menselijke taalvermogen). Maar inderdaad, het is ongeveer zoals je zegt. Die moderne grammatica gebruikt de algemenere term "predicatie" voor een betekenis die overeenkomt met die van het naamwoordelijk deel én de bepaling van gesteldheid in de traditionele zinsontleding. 'Leuk' is een predicaat bij 'jou', grofweg weergegeven in de zin 'jij bent leuk'.

Inderdaad is 'vinden' een werkwoordelijk gezegde. 'iemand leuk vinden' is immers iets wat je doet.

De term 'complement' is ook zo'n term die in de moderne grammatica gehanteerd wordt, en die overeenkomt met de voorwerpen in de traditionele zinsontleding, maar ook met het naamwoordelijk gezegde en met die bepalingen van gesteldheid die een aanvulling vormen bij het werkwoord. Bijvoorbeeld (die laatste worden dan in de moderne grammatica samengenomen met hun antecedent: 'de deur groen' in 'de deur groen verven' en 'jou leuk' in 'jou leuk vinden').

In de traditionele zinsontleding wordt de zin 'dat boek is zwaar' ontleed als zin mete een naamwoordelijk gezegde. 'leuk' is het naamwoordelijk deel, en 'is' is het werkwoordelijk deel. De reden voor deze ontleding is dat de zin maar één ding uitspreekt, namelijk dat het boek zwaar is. Die uitspraak is een "zijn-uitspraak", en dus een naamwoordelijk gezegde.

Wat de woordsoorten betreft is 'zwaar' een bijvoeglijk naamwoord, omdat het een predicaat vormt bij een zelfstandig naamwoord ('boek').

Laat een reactie achter