Door: Maaike Boersma
Gepubliceerd: zondag 16 maart 2008 22:29
Update: zondag 16 maart 2008 22:40
Door hun eigen vooroordeel over de sociale afkomst van een kind en de betrokkenheid van ouders, vergroten leerkrachten taalachterstand bij jonge kinderen.
Ongeveer een kwart van de kinderen die voor het eerst naar groep 1 gaan, heeft een taalachterstand, stelt Judith Stoep, die vrijdag promoveerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Die achterstand op jonge leeftijd is nadelig voor hun latere leesvaardigheid. De grootste taalachterstand komt voor onder allochtone kinderen.
‘Kinderen die niet eerst op de peuterspeelzaal hebben gezeten zijn nog maar heel weinig in contact gekomen met de Nederlandse taal’, legt Stoep uit. Behalve de allochtone kinderen hebben ook autochtone kinderen met lager opgeleide ouders een grotere kans op taalachterstand. ‘Mogelijk is er thuis een minder rijk taalaanbod dan bij hoogopgeleide ouders.’
Extra aandacht
Jonge kinderen met een taalachterstand hebben veel baat bij extra aandacht. Dat kan door al voor zij in groep 3 leren lezen en schrijven de taalvaardigheid te stimuleren. En juist daar wringt de schoen. Want in hun beoordeling laten docenten zich leiden door vooroordelen.
‘Er wordt niet gekeken naar het individuele taalniveau van het kind, maar naar de sociale afkomst. Over kinderen uit de allochtone groep bestaat een homogeen oordeel. Leerkrachten denken dat allochtone ouders hun kinderen niet ondersteunen en niet betrokken zijn.’ Van kinderen met laagopgeleide autochtone ouders hebben de leerkrachten volgens Stoep ook geen hoge verwachtingen.
Betrokkenheid van allochtone ouders bij de school van hun kind laat volgens Stoep soms inderdaad te wensen over, ‘maar ze voelen zich wel heel erg verantwoordelijk voor het succes van hun kind.’ Ook in allochtone gezinnen worden kinderen al op jonge leeftijd, nog voor zij leren lezen en schrijven, in contact gebracht met geschreven taal. In islamitische gezinnen speelt de Koran, het geschreven woord, een belangrijke rol. Daar komen kinderen op hele jonge leeftijd mee in aanraking. Ook worden er in allochtone gezinnen kranten gelezen. ‘Het is een misvatting dat allochtone kinderen thuis minder kansen hebben om zich te ontwikkelen op het gebied van lezen en taal.’
Stoep vindt de vooroordelen van de leerkrachten ‘behoorlijk ernstig’. ‘Voor het aanbod van lezen en schrijven in de kleutergroepen zijn de kinderen afhankelijk van de inschatting van de leerkracht. Als die op basis van een vooroordeel denkt: ‘ach, de ouders zijn er nu niet mee bezig, laten we maar beginnen met lezen in groep 3’, dan krijgt het kind niet de nodige stimulering.
Kinderen met een taalachterstand met hoogopgeleide ouders krijgen die wel omdat leerkrachten denken in die ouders goede gesprekspartners te hebben.’
Gevolgen
Het vooroordeel van de docenten kan verstrekkende gevolgen hebben. Als een kind geen extra ondersteuning krijgt om de achterstand in te halen, blijft het kind ook in de latere klassen moeite houden met begrijpend lezen. ‘In groep 3 doen de allochtone kinderen het met technisch lezen even goed als ieder ander. Maar met het begrijpend lezen en de woordenschat blijven ze achter.’
Die achterstand werkt door. Aan het einde van de basisschool krijgen de kinderen, die vanwege hun achterblijvende taal- en leesvaardigheid moeite hebben met de lesstof, een lager opleidingsadvies. ‘En als er door de leerkracht lagere verwachtingen en doelen zijn gesteld, gaan kinderen zich daar ook naar gedragen.’