Poëzie zorgt voor veel polemiek

door Nico de Boer. donderdag 03 april 2008 | 08:20

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten

Donderdag 3 april 2008 - De Nederlandse dichtkunst floreert, ook in het buitenland. Maar er is ook kritiek op de steile schoolmeesters en poëzie die in zichzelf gekeerd is. De stand van zaken aan de vooravond van de uitreiking van de VSB Poëzieprijs 2008 op 11 april.

De Nederlandse poëzie bloeit al jaren. En al laten liefhebbers zich in een euforische bui wel eens ontvallen dat zij van wereldklasse is - een bewering die moeilijk te staven valt - laat dit onverlet dat zij internationaal de laatste jaren haar partijtje meeblaast.

Gerrit Komrij, al jaren woonachtig in een Portugees dorp, is te lezen in de taal van zijn dorpsgenoten. Rutger Kopland is geliefd bij Britse poëzielezers. Lucebert is vertaald in het Frans en er is belangstelling voor de poëzie van jonge(re) dichters als Alfred Schaffer en Esther Jansma.

De aandacht in het buitenland voor Nederlandse literatuur beperkt zich allang niet meer tot (de vertaling van) romans en jeugdboeken. Vreemd is dat niet. De Nederlandse dichtkunst is divers en rijkgeschakeerd. Het landschap van de poëzie is zo gevarieerd dat iedere liefhebber er wel iets van zijn gading kan vinden. Ook buiten de geijkte paden. Kijk maar eens naar het overweldigende aanbod dat via weblogs op de netsurfer afkomt. Waarmee bewezen is dat de dichter ook zonder bundel of optredens bestaansrecht heeft, hoewel de echte erkenning van het dichterschap nog altijd begint met de publicatie bij een literaire uitgeverij.

De oogst lijkt met het jaar toe te nemen, al verschijnt de gemiddelde dichtbundel in een uiterst bescheiden oplage. Uitzonderingen daargelaten, zoals in het geval van Judith Herzberg en Tsjitske Jansen, wier debuut Het moest maar eens gaan sneeuwen meer dan 10.000 keer over de toonbank ging (onlangs verscheen de opvolger Koerikoeloem).

Ook al is de markt bescheiden van omvang, poëzie - de moeder van alle kunsten - is voor een zichzelf respecterende uitgeverij een prestigezaak.

Daarnaast is het opvallend hoe er in poëziekringen gediscussieerd en gepolemiseerd wordt. Daarbij kan het er energiek en soms heftig aan toegaan. Dat is een verademing in vergelijking met de Nederlandse romankunst, waar ondanks het overstelpende aanbod eerder sprake is van starheid dan van levendigheid. Niet dat er in de poëzie louter een hosannastemming hangt.

Een veelgehoorde klacht is dat het technisch gezien allemaal erg knap is wat de meeste Nederlandse dichters presteren, maar dat veel poëzie nergens anders naar verwijst dan naar zichzelf. In plaats van wat minder technisch vernuft zou je wat meer hart en ziel wensen.

De meningen botsen herhaaldelijk en dat levert veel lezenswaardige en soms vermakelijke discussiestof op.

Het begint al bij de vraag wat goede poëzie is of zou behoren te zijn. De gemiddelde criticus staat doorgaans huiverig zo niet achterdochtig tegenover elke dichter die verhalend of meteen begrijpelijke poëzie schrijft, alsof de bespreker bij voortduring het oordeel vreest van collega-critici die over zijn schouders staan mee te lezen.

De een vindt dat poëzie alleen in zichzelf kan bestaan. Of heeft slechts waardering voor gedichten met een zekere raadselachtigheid, waarvoor je iets moet doen wil je er toe doordringen. Een ander roept om 'gevaarlijke of verontrustende' poëzie, zoals de dichters en critici Piet Gerbrandy en Ilja Leonard Pfeijffer.

Maar daarin zijn de heren weer zo steil in de leer dat ze op ouderwetse dominees of schoolmeesters lijken, die bestraffend de vinger heffen naar iedereen die niet wil luisteren.

Anderen achten dit een doodlopende weg. Zij pleiten voor meer verstaanbaarheid, voor poëzie met een hart en een geweten, die niet elitair in haar schulp kruipt maar naar buiten breekt. Zonder overigens meteen een knieval te doen naar het publiek.

Reageren